`Vlees op zondag`, Wapke Feenstra (NL)
Written during the project Zaungast in Feldafing DE 1998

"Konnen sie mir helfen? Bitte?", klinkt het krakerig naar de andere kant van de straat. Daar loop ik. Ik moet naar het station. Kijk even vragend in haar richting en steek over. Zij staat naast de auto en rommelt nog wat aan het openstaande portier. Ik moet vlees voor haar halen. Zij is niet goed ter been en wil aan de overkant in het Gasthof vlees halen. Ik steek mijn arm uit. Zij schudt van nee. Zij kan niet gaan, zij komt de trap niet op, zij heeft stijve knieën, zij is slecht ter been, ik moet gaan. Er komt schudderig een bundel geld uit de portemonnee, zij stopt het geld in mijn hand. Het is een bonte verzameling van briefjes van 20, 10 en 50 mark. Ik kan er zo mee wegrennen. Zij legt mij uit dat er in het Gasthof links van de deur een loket is waar je vlees kunt bestellen. Zij wil drie stukken schnitzel oder so was änhliches. Ik ga aan de overkant twee trapjes op en loop het Gasthof binnen. Er is inderdaad aan mijn linkerzijde een loket, dat stelt mij gerust. Eenmaal binnen staat er niemand achter het loket, ik zie alleen bierdrinkende mannen. Dan schiet er een vrouw in kokstenue door de gang. ‘Grüss Gott,’ sagt Sie. Ik zeg hallo. En vraag haar mee naar buiten te komen omdat daar een dame staat die vlees moet hebben. Ik ken mir ja nicht so gut aus hier, können sie mitkommen? Zij kijkt verbaasd, maar komt mee. Ik stel de kok en de koper aan elkaar voor. De mevrouw zegt dat ze vlees wil: drie stukken. ‘Was dann?’ ‘Schnitsel,’ sagt Sie. ‘Haben wir Heute nicht. Aber wir haben gutes Putenfleisch.’ ‘Dan nimm ich das, Drei grosse Stücken.’ ‘Zum mitnehmen mit Bratkartoffeln und ein frischen Salat?’ ‘Nein nein nur Fleisch.’ ‘Angebraten, gefertigd?’ ‘Nein so.’ ‘Sie machen es dann zu Hause?’ ‘Ja. Drie gute stücken Putenfleisch.’ De kok pakt 60 dmark uit het geldbundeltje en gaat naar binnen. De oude vrouw lacht, zij krijgt haar vlees. Ik heb de trein gemist.