`Women bathing`
projects & works

shows & archive
Baadsters (Amsterdam)

Amiel Grumberg
Marianne Brouwer
Marianne Maasland

related link
design Ariënne Boelens

`Women bathing`, Wapke Feenstra (ENG / NL)
catalogue “Water”, published by Stichting Op Zuid Rotterdam 2003 (

All sorts of thoughts cross my mind when I walk here alone. At first I feel apprehensive. As apprehensive as a woman taking a relaxed shower when each private moment could be disturbed by an abrupt turn of the head. She eyes the doorway nervously, sees the shower curtain suddenly quiver... then the murderer strikes – naked and vulnerable, she has no escape.
Shower scenes have nasty colours. Tiled walls. The goat collapses. ‘Let the blood drain,’ says the butcher. And then the light goes out.
Were women afraid in this landscape when, so the story goes, women bathing were goddesses or nymphs? They had mythical powers. Whoever was watching, enjoying the scene, faced a hideous fate: decapitation or transformation into an animal. The most well known is a tale by Ovid who described how, when hunting in the forest, the young prince Actaeon came across the naked goddess Diana, bathing. Her punishment was to turn him into a deer and he was hunted down and devoured by his own dogs. Grrrrr! Then they won’t bite! Dogs aren’t allowed here anyway. Not even on a leash. And there are still deer.

The archive of images and stories has been set free in this landscape. No random associations but images and tales that have been seen and heard before made alive by sensual experiences. On this warm day the landscape could be the lower regions of the Sahel, a windy corner of Spain, somewhere on a sandy plain is the south of Sicily and near the basin is a city park in Korea. It’s nothing like the landscape I grew up in: the Greidhoeke in Friesland. When you paint this landscape realistically and atmospherically it rapidly becomes nineteenth century, especially if you ignore the plumed aircraft trails in the sky. There is a risk of kitsch fanaticism. The facts keep us focused; now and then we notice a numbered pipe, a storm drain with lock and chain, a strange grey well near a canal... it’s not called the Amsterdam Water Supply Dunes for nothing. Something’s clearly going on underground. Water gathered in the dunes is transported to your home by a network of invisible pipes. When that water then flows from the tap I can visualize this. Water was the first public amenity to go straight into ordinary houses. Electricity, gas, telephone, cable and the Internet followed. Water is still the most sensual, physical flow that enters our homes. Where most of the other piped amenities could also be information carriers maintaining contact with the outside world, water enters and touches our bodies every day; we often conceal our use of water from other members of the household. Here, we stand atop an underground network that flows into private moments. A network of naked encounters taken alone. Which all began 150 years ago.

Modern art also started around this time. It began partly by replacing bathing goddesses with ordinary naked women taking a bath, relaxing and combing out their wet hair. The first bathers felt a little uncomfortable. They often know we’re looking at them but they don’t look back. It’s hard to know the right pose to strike when you’ve been stripped of your mythological nakedness, isn’t it? There they stand, naked at the genesis of autonomous art. Some blending into the landscape. But bathers too are reduced to dots, dashes and lines. The camera is gaining a grip and many bathers shoot pictures. But the bather is far from dead. She is more than an after-image from a bygone age – she is also a topical reference point in current discussions on body covering. Naturally the images of people undressed are far more brazen now and the discussions on what may and may not be seen are more extreme. At first sight it seems to be a dialogue on censure and freedom but that only clouds the issue. Ideas about autonomy and (mythological) nudity certainly need to be revised. I think back with a smile at a poster that hung on our school notice board in the seventies: a naked woman standing in a field, in front of a cow. The word ‘disarming’ was printed in large letters beneath – it was a poster for the Pacifist Socialist Party. The naïveté that nudity in the outdoors also implies peace and ‘freedom, equality and brotherhood’ is extremely outmoded. A handful of feminists and conservative Christians protested at the time, but the poster became a national hit for the left-wing. Too well-loved to disappear easily.

Later I see hues of green and yellow and the glittering of the water. I like outflanking movements because they evoke associations. Here are the bathers, lining an art route, a route that runs around the museum dune in a huge curve. The museum dune is not open to the public. In the Second World War all kinds of Dutch art treasures were buried here even Queen Wilhelmina’s.
Because an attack on the coast was feared and German bunkers were popping up everywhere, the most important national works of art were later moved to the St. Pietersberg in Maastricht. Recent incidents in Iraq show that it’s perfectly normal to hide art works in wartime. The bathers have survived numerous wars; the less realistic bathers here have been entitled ‘Entartete kunst’ (degenerated art). Their freedom was curtailed. Their existence was not permitted. What and who hid them, and where, is irrelevant here. What connects us is that we all hate being excluded. If we know that we’re unwanted. We are afraid of becoming visible.

Looking and being looked at. Usually an innocent game that can be played anywhere. The nineteenth century bathers always fascinated me because they operate between functional nudity and flirting. I admire many bathers of the early twentieth century because they radiate the intention of disappearing into their painted world. In this landscape that, besides its function as water supplier, also offers the public the beauty of a walking area, some twenty bathers have been placed temporarily. They are after-images of paintings by the great masters. An active visitor and a bit of water and... hey presto, they appear.

Er komt van alles in mij op als ik hier in mijn eentje loop. Eerst ben ik bang. Bang als een dame die relaxed staat te douchen, maar elk moment van ontspanning wordt verstoord door het hoofd abrupt te draaien. Ze kijkt dan schichtig naar de ingang en houdt er rekening mee dat het gordijn ineens gaat schuiven en dat de moordenaar dan toeslaat, terwijl zij naakt en kwetsbaar geen kant meer op kan.
Douchescènes zijn akelig in kleur. De wand is betegeld en de geit zakt ineen. ‘Nog even uitbloeden,’ zegt de slager en dan gaat het licht uit.
Waren vrouwen ook bang in dit landschap toen badende vrouwen volgens de verhaallijn nog godinnen of nimfen waren? Zij hadden mythische krachten. Wie ter plekke verlekkerd naar hen keek, trof een verschrikkelijk lot: onthoofding of verandering in een beest waren geen uitzondering. Het bekendst is een verhaal van Ovidius, die beschrijft hoe de jonge prins Actaeon tijdens de jacht in het bos de godin Diana naakt ziet baden. Zij verandert hem voor straf in een hert. Hij wordt vervolgens door zijn eigen honden aangevallen en opgegeten. Grommen! Dan bijten ze niet! Hier mogen eigenlijk geen honden komen, ook niet aangelijnd. Er lopen wel herten.

Het archief met beelden en verhalen is losgelaten op dit landschap. Geen willekeurige associaties, maar eerder geziene beelden en gehoorde verhalen die nu actueel worden door zintuiglijke ervaringen. Het landschap lijkt op deze warme dag op de onderrand van de Sahel, een winderig hoekje van Spanje, ergens op een zandvlakte ligt het zuiden van Sicilië en bij het waterbekken ligt een stadspark uit Korea. Eigenlijk lijkt het nergens op het landschap waarin ik ben opgegroeid: de Greidhoeke van Friesland. Wanneer je dit landschap realistisch en stemmig gaat naschilderen dan wordt het al snel negentiende-eeuws, zeker als je de vliegtuigstrepen in de lucht consequent negeert. Er is wel gevaar voor kitscherig gedweep. Door de feiten worden we bij de les gehouden; zie af en toe een pijp met een nummer erop, een deksel dat groot en zwaar sluit met een ketting, een vreemde grijze put bij een kanaal en het heet natuurlijk niet voor niks Amsterdamse Waterleiding Duinen. Het is duidelijk dat er zich hier iets ondergronds afspeelt. Via allerlei onzichtbare leidingen en buizen komt het water van hier gewoon bij u thuis. Als dat water dan uit de kraan komt, kan ik me er weer wat bij voorstellen. Water kwam als eerste openbare voorziening rechtstreeks thuis. Elektriciteit, gas, telefoon, kabel en internet volgden. Water is nog steeds de meest zintuiglijke en lichamelijke stroom die ons huis betreedt. Waar de meeste andere leidingen ook informatiedragers kunnen zijn die contact met de buitenwereld onderhouden, komt water elke dag in en aan ons lichaam en dat houden we zelfs voor onze huisgenoten vaak uit het zicht. We zitten hier dus op een ondergronds netwerk dat stroomt naar privé-momenten. Een netwerk van naakte momenten waarin we ons even terugtrekken. 150 jaar geleden is dat begonnen.

Rond die tijd is ook de moderne kunst gestart. Het begon onder andere met het vervangen van badende godinnen door gewone naakte vrouwen die een bad namen, wat uitrustten en hun natte haren kamden. De eerste baadsters voelden zich nog wat onwennig. Vaak weten ze wel dat wij kijken, maar kijken ze niet terug. Want wat voor houding neem je aan, als je bent ontkleed van je mythologische naaktheid? Zij staan daar naakt aan de wieg van de autonome kunst. Sommigen zoeken dekking in het landschap. Maar ook baadsters worden ontleed in stippels, strepen en lijnen. De camera krijgt er vat op en veel baadsters gaan zelf foto’s schieten. Toch is de baadster niet dood. Zij is meer dan een nabeeld uit een voorbije tijd, ze is ook een actueel referentiepunt in de huidige discussies over lichaamsbedekking. Natuurlijk zijn de beelden van ontklede mensen nu veel onbeschaamder en zijn de discussies over wat gezien mag worden en wat niet, veel extremer. Het lijkt zo op het oog weer over censuur en vrijheid te gaan, maar dat is versluierend. Ideeën over autonomie en (mythologische) naaktheid moeten worden herzien, dat is zeker. Ik denk met een glimlach terug aan een poster die we op school op het prikbord hadden hangen in de jaren zeventig: een naakte vrouw die in het weiland voor een koe stond. Er stond groot ‘ontwapenend’ onder en hij was van de PSP (Pacifistisch-Socialistische Partij). De naïviteit dat naaktheid in de buitenlucht ook vrede en ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ impliceert, is super gedateerd. Enkele feministen en conservatieve christenen hebben destijds nog wel geprotesteerd, maar de poster werd een nationale linkse hit. Te geliefd om zomaar te verdwijnen.

Later zie ik allerlei kleuren groen en geel, en glinsteringen in het water. Ik houd van omtrekkende bewegingen, omdat die associaties oproepen. Hier liggen de baadsters aan een kunstwandelroute, een route die in een grote boog om de museumduin heen loopt. De museumduin is niet toegankelijk. In de Tweede Wereldoorlog zijn hier allerlei Nederlandse kunstschatten verborgen. Ook die van de koningin. Omdat men een aanval vreesde op de kust en de Duitse bunkers overal in de buurt opdoken zijn de belangrijke nationale kunstschatten later naar de St. Pietersberg in Maastricht verhuisd. Dat het gebruikelijk is om kunst te verstoppen als er oorlog is weten we inmiddels ook uit Irak. De baadsters hebben meerdere oorlogen meegemaakt, de minder realistische baadsters die hier liggen zijn als ‘Entartete Kunst’ betiteld. Hun vrijheid werd beknot. Ze mochten er niet meer zijn. Wat, wie en waar ze verstopt hebben gezeten is nu niet relevant. Wat ons bindt is dat we het allemaal erg vinden als we er niet mogen zijn. Als we weten dat we ongewenst zijn. We zijn dan bang om zichtbaar te worden.

Kijken en bekeken worden. Meestal gewoon een luchtig spel dat overal op kan duiken. De negentiende-eeuwse baadsters hebben me altijd gefascineerd omdat ze tussen functioneel naakt en flirten opereren. Veel begin twintigste-eeuwse baadsters bewonder ik omdat ze de intentie uitstralen om op te gaan in hun geschilderde omgeving. In dit landschap dat naast zijn functie als waterleverancier, ook zijn schoonheid als wandelgebied aan het publiek aanbiedt, liggen tijdelijk ruim twintig baadsters. Het zijn nabeelden van grote meesters. Door actieve bezoekers en wat water worden ze zichtbaar.